HERINNERINGEN VAN GEER REKOERT

Dit is Geer Rekoert Senior, die de zaak in 1916 in Haarlem oprichtte

Mijn grootvader van vaders kant heette Jan Frederik Henderik Rekoert. Hij werd in 1854 in Dordrecht geboren. Hij werd borstelmaker. Mijn vader Geer werd geboren in 1889, als jongste van vijf kinderen. Een jaar later verhuisde de familie naar Haarlem, en ging wonen in de Oranjestraat in de Leidsebuurt. Grootvader stichtte later de Eerste Haarlemse Borstelfabriek.

Mijn vader wilde geen borstelmaker worden, hij zei altijd: “Dat geklier met dat haar is niks voor mij”. Hij werd loodgieter. Als jongetje al hielp hij een loodgieter in de Oranjeboomstraat.
Vader heeft bij verschillende bazen gewerkt. Het meest heb ik altijd gehoord over Lasschuit in de Smedestraat. Dat was een specialist in gas, dat was toen iets nieuws.
Later heeft hij bij Ko Roest in Heemstede gewerkt.

In de tijd voor zijn trouwen in 1912 was hij onderbaas bij Toon van Eijk in de Ridderstraat. Daar heb ik altijd veel verhalen over gehoord. Vroeger was die loodgieterswereld een hofje waar iedereen elkaar kende en alles van elkaar wist. Dat kwam ook doordat de knechts regelmatig van baas veranderden. Er waren loodgieters die in hun leven veertig bazen hadden.

Vroeger kreeg je je opleiding in de praktijk: je leerde als jongmaatje het vak van de ouderen. Mijn vader begreep dat dat niet genoeg was, en wilde leren. Hij ging naar de Burgeravondschool waar hij bouwtechnisch tekenen leerde. Hij kon dan vaak niet overwerken en had moeite op tijd op school te zijn. Zijn oudere maats vonden dat gestudeer maar gek, zij zeiden: “Een loodgieter hoeft niet te leren.”
Vader echter was zeer leergierig. Toen hij in dienst moest probeerde hij ook daar wat op te steken. Hij werd hospitaalsoldaat. Ik kreeg van hem mijn eerste verbandlessen. Later was hij sergeant.
Toen hij volslagen vakman was werd hij onderbaas bij Toon van Eijk.
In 1912 trouwde hij met mijn moeder. Zij was vijf ouder dan hij. Ze was kostuumnaaister en had in de Oranjestraat een eigen winkeltje, met een atelier met naaimeisjes.
In 1914 brak de eerste wereldoorlog uit, vader werd gemobiliseerd. In datzelfde jaar werd mijn broer Jan geboren. Ik heb veel verhalen gehoord over die mobilisatietijd. Het tiende regiment uit Haarlem lag in Brabant aan de Belgische grens. Onze latere boekhouder Van den Ende was er sergeant-majoor.


In 1916 werden oude lichtingen naar huis gestuurd omdat ze te duur werden. Ze werden opgevolgd door rekruten. Zo kwam vader dus naar huis.

EEN EIGEN ZAAK

In 1916 begon mijn vader, met het winkeltje en atelier van mijn moeder achter zich, een eigen loodgietersbedrijf. In een schuurtje in de Olycanstraat. Iets later ging hij naar een pakhuis in de Witte Herenstraat.
Het ging blijkbaar goed, want toen de oorlog in 1918 afgelopen was kocht hij twee kleine huisjes op de Herensingel. Het ene om in te wonen, het andere was de werkplaats.
Na de oorlog in 1918 kwam alles weer op gang. De Noordhollandse Exploitatie Maatschappij kocht de kwekerij Rozenburg in Heemstede en ging er huizen bouwen. Vader deed het loodgieterswerk. In 1918 werd het blok Herenweg/Amaryllislaan neergezet, in 1920 de oneven kant van de Amaryllislaan, en in 1921-22 het winkelblok Zandvoortselaan.
Op een avond kwam mijn vader thuis en zei tegen mijn moeder: “Ik heb een winkelhuis gekocht.” Mijn moeder vond een winkel wel leuk, dat was ze gewend in haar eigen winkeltje. Alleen – de omgeving, familie, zakenvrienden en anderen, zei: “Man, je bent gèk, helemaal op de Zandvoortselaan, wat zoek je zover weg, je gaat je ondergang tegemoet, dat wordt niks, verkoop dat maar weer gauw.” Heemstede was toen nog een echt dorp, de Zandvoortselaan was niet meer dan een weggetje, en er was weinig vervoer. Het betekende ruim een uur lopen vanuit Haarlem.
Vader had een vooruitziende blik, hij zei: “Ik moet ergens gaan zitten waar nog niets is en alles nog moet worden volgebouwd.” Van achter het huis kon je bootjes in de Leidsevaart zien varen, daar stonden evenmin huizen als aan de andere kant van de laan. Ook in Aerdenhout zou nog veel gebouwd worden, en daar woonden de klanten.
Daar hij het huis in de bouw kocht en er zelf nauw bij betrokken was, kon hij verschillende dingen naar eigen inzicht laten veranderen, zoals de binnentrap, van de winkel naar het bovenhuis. Hij is er in gewrongen, dat is nog steeds te zien.
Het gezin woonde beneden, er was een keuken, een klein kamertje voor Jan, een hal en een huiskamer. Waar tegenwoordig het zitje is was het kantoor, nog altijd komt daar de telefoonkabel binnen. De rest aan de voorkant was winkel. Boven was de slaapkamer en de badkamer.
Voor dat kleine halletje zat een deur. De rest van het bovenhuis was verhuurd.
Dat heeft maar kort geduurd, ikzelf heb het niet bewust meegemaakt. Wat ik weet is dat dat we boven woonden. De woonkamer was bij de winkel getrokken, daar is nu de sanitairhoek. Het kantoor was een vierkant hol achter de hal. Later is deze ruimte in tweeën gedeeld, met een doorloop aan de keukenkant en een klein knus kantoor.
Na de oorlog werd de hele benedenverdieping winkel. De slaapkamer werd kantoor, en kwam een soort voordeur voor het halletje. Daarna veranderde er niet veel meer. In 1948 is het magazijn er bij gebouwd, en in 1955 het grote pakhuis.

HET PAKHUIS

Begin jaren vijftig werd er veel gebouwd in Heemstede. We hadden veel werk van Blom en
Schendstock. We kregen ruimtegebrek. Naast ons was het kruidenierswinkeltje van mevrouw
Visser. Haar man was overleden en ze deed niet zoveel meer. Ze liet doorschemeren dat ze
haar pakhuis wel wilde verhuren. Zodra die ouwe daar lucht van kreeg stapte hij er op af, en zo
werd er een gat in de werkplaatsmuur gehakt, om in het pakhuis te komen. Het is later dichtgemetseld, maar achter de zetbank is het nog te zien.
Op een zeker moment verkocht mevrouw Visser haar zaak aan Klaas Sas, en die zei meteen: “Een kruidenier kan niet zonder pakhuis,” dus moesten wij er uit.
Nu had vader alles van het begin af meegemaakt, en hij herinnerde zich, dat er achter het pakhuis van mevrouw Visser een stuk niemandsland lag, nog eigendom van de Noordhollandse Exploitatie Maatschappij. Hij vertrok naar het Gooi waar de zoon van vroegere directeur woonde, de heer De Heer Kloots. Deze wist van dat stuk grond niets af, maar uit de tekeningen bleek dat het er was en niet gebruikt werd. Voor De Heer Kloots was het een meevaller, en voor ons ook.
Nu was het alleen nog de vraag of er gebouwd mocht worden, en of de buren geen bezwaar zouden maken. Vader ging met zijn liefste gezicht (wat nog niet meeviel!) en een bloemetje naar de diverse buurvrouwen en liet ze ondertekenen dat ze geen bezwaar hadden. Zo eenvoudig ging dat vroeger….
Zo konden we dus het pakhuis bouwen.

Het oog van de meester

De timmermannen

Tegenwoordig is het pakhuis verhuurd.

RENKUM

Toen de oorlog afgelopen was, was de firma Rekoert helemaal leeg, het geld was op, al het materiaal was op en het eten ook. Maar wij waren er nog en het huis was nog heel.
Het normale leven kwam weer op gang en de zaak ging weer draaien. Mijn vader was toen 56 jaar, had een knauw gehad door de dood van mijn moeder in 1940 en de andere oorlogsnarigheid, en had er allemaal niet zoveel zin meer in. Mijn broer Jan, toen 31, wilde daar niets van weten: “Als we niet flink aan de slag gaan, zoek ik wat anders .” Vader zag daar de waarheid van in en legde zich daarbij neer.
Het enige werk wat er toen was, was voor de ” Wederopbouw ” in de gebieden waar de oorlog geweest was .
Via via kreeg Jan een opdracht voor loodgieters en elektrisch werk voor 50 noodwoningen in de gemeente Renkum ten behoeve van het plaatsje Heveadorp dat helemaal stuk geschoten was.
Begin 1946 werd daar begonnen, er was natuurlijk heel weinig, gemetseld werd er met gebikte stenen uit Arnhem en Oosterbeek, het dak was van houtwolplaten en de waterleiding van ijzer. Het waren rijtjes lage huizen, dus zonder verdieping er op, de muren werden niet afgesmeerd maar geverfd in lichte kleurtjes.
Door dat werk voor de ” Wederopbouw ” kregen we met de materiaalvoorziening voorrang en toewijzingen. Meer dan er nodig was voor Renkum. Dit kwam ten goede aan het burgerbedrijf dat ook weer op gang kwam. Als je maar spullen had, want alles was toch nog erg schaars.
Ik weet nog dat er, ik denk in 1948, 6 gasfornuizen aankwamen die op de Zandvoortselaan uitgepakt en even neer gezet werden. Dat was een hele belevenis na 8 jaar.

Toen we trouwden in 1951 was de textiel nog op punten maar daarna ging alles beter en was de schaarste over, ook in het bedrijf. We zaten volop in de nieuwbouw.

LATERE JAREN

In de jaren ’50 en ’60 werkten we met rond de twintig monteurs – loodgieters en elektriciens. Alles rondom ons werd volgebouwd en van al deze nieuwbouw hadden wij het loodgieters- en elektrisch werk. Een heel bedrijf! Er waren dan ook drie bazen: mijn vader had de algehele leiding, mijn broer Jan Rekoert was er vooral voor het installatiebedrijf, en ik was voornamelijk in de winkel. Ik was altijd al het meest winkelier: al op jonge leeftijd schilderde ik de prijskaartjes en bordjes voor in de winkel, zoals ik dat nu nog steeds doe. Na de oorlog veranderde ik de winkel langzaam van een showroom vol badkuipen en lampenkappen in een zaak waar de moderne elektrische apparaten die in die tijd volop uit Amerika en Engeland kwamen, te koop waren en gedemonstreerd werden. Wasmachines. Mixers. Strijkijzers met thermostaat. Broodroosters.
Er was voor hele dagen een boekhouder, die vaak ook nog een hulp had: alles moest nog met de hand uitgerekend, lonen werden contant uitbetaald, rekeningen cash voldaan.
In 1973 moest mijn broer wegens gezondheidsproblemen stoppen met werken en trad hij uit de zaak. Ook mijn vader, die er tot dan toe nog bij betrokken was, trok zich terug – al kon ik altijd naar hem toe voor raad of hulp. Hij woonde nog steeds boven de zaak dus dat was nogal makkelijk! Ik zette het bedrijf alleen voort, samen met acht monteurs en een administratief medewerkster.
In 1977 had mijn dochter Marjon Rekoert haar opleiding Middelbare Detailhandelsschool afgerond en kwam bij me in de zaak. We waren weer een familiebedrijf. Marjon is net als ik vooral winkelier, al is ze een jaar met één van onze monteurs mee op karwei geweest.

Langzamerhand veranderde de situatie. Het aantal monteurs in de buitendienst slonk van acht naar vier, tot er eind jaren ’80 nog maar twee over waren. Ook het klantenbestand veranderde. De mensen die de grote huizen in Aerdenhout bewoonden, waar altijd wel iets te klussen of te repareren viel, trokken in een verzorgingshuis of stierven. De nieuwe bewoners lieten veel minder vaak een loodgieter of elektricien komen: ze deden veel zelf of vroegen een handige kennis de klus op te knappen. Het was zowel moeilijk aan personeel als aan werk te komen. Toen in 1991 de ene monteur met VUT ging en de ander naar een andere baas, was het het juiste moment het installatiebedrijf af te stoten. Samen met Marjon ging ik doen wat ik altijd al het liefste gewild had: me richten op uitsluitend de winkel.
Het grote pakhuis, dat we in de jaren 50 hadden laten bijbouwen, was nu niet meer nodig, het werd verhuurd aan de firma Frame, een elektrisch installatiebedrijf, dus niet helemaal branchevreemd! Ook het bovenhuis kwam leeg te staan, in 2001, dat werd verkocht. Het eens zo kale pakhuis is nu een comfortabele opslagruimte met kantoor en kantine, het statige bovenhuis werd verdeeld in tal van huurkamers, maar de winkel veranderde sinds de jaren 50 nauwelijks, en ademde nog lang de sfeer van vroeger. Met een kiesschijftelefoon en een kassa met schuifhendels.

Meer over de geschiedenis kunt u in één aangesloten verhaal lezen in een Word-document, klik hier.

Rekoert

Zandvoortselaan 10
2106 CN HEEMSTEDE

E-mail info@rekoert.nl

Wij verkochten:

Electrische huishoudelijke artikelen
Verlichtingsarmaturen
Lampen